Zaandam – Amsterdam

Zaandam1: Nakomelingen van Pieter Claasz Jut en Neeltje Willems, Oostzaandam vanaf circa 1664. Klik hier.

Gerrit Claasz Jut
(Oostzaandam ca. 1711 – 1782)


Gerrit Klaase Jut is op 17 maart 1731 gedoopt in de doopsgezinde gemeente van Oostzaandam. Zijn geboortejaar zal dan rond 1711 liggen. Hij is de zoon van Claas Gerritsz Jut en Neeltje Abrams. Hij trouwt rond 1735 met Aaltje Piters Ouwejan, uit welk huwelijk drie kinderen bekend zijn. Na het overlijden van Aaltje in 1749 trouwt hij rond 1753 met Guurtje Jans Bon en heeft met haar nog één zoon. In 1782 overlijdt Gerrit in Oostzaandam.

Gerrit is voorlezer in de doopsgezinde gemeente van Oostzaandam van 2 februari 1744 tot 29 november 1750 en diaken vanaf 3 januari 1752.

Molen de Peereboom

Gerrit Claaszoon Jut is eigenaar van de Pelmolen te Oostzaandam, genaamd De Peereboom. Op 22 mei 1732 is deze afgebrand en Gerrit is niet meer in staat deze op te bouwen. Enkele jaren daarna staat de molen nog steeds in het kohier van de honderdste penning en verpondingen van Oostzaandam, waardoor hij nog steeds wordt aangeslagen voor een som van twintig gulden. Hij vraagt daarom de afgebrande molen uit het verpondingsregister te halen. Het antwoord van de Staten van Holland en Westvriesland is op 22 oktober 1738 verwoord in hun Resolutie op de Requeste van Gerrit Claasze Jut te Oostzaandam, en van Burgermeesters te Oostzaandam, om afschryving van twee afgebrande Moolens van het Quohier der Verpondingen 1. De tweede molen die wordt vermeld is in 1736 afgebrand, maar geen eigendom van Gerrit Jut.

In het besluit geven de Staten aan dat de grond waarop de molen gebouwd is en de molen zelf apart belast waren, dat de grond zelf belast zal blijven, maar dat de molen van Gerrit Claasz Jut, met consorten, met terugwerkende kracht vanaf het jaar 1736 uit het kohier van Oostzaandam verwijderd moet worden. Mocht opnieuw op de grond gebouwd worden, dan zal het nieuwe gebouw getaxeerd worden en opgenomen in het kohier. Deze uitspraak geldt ook voor alle vergelijkbare gevallen met molens en gebouwen op het platteland.

Volgens de Molendatabase 2 verkreeg Adriaan Peereboom de windbrief op 23 oktober 1691 en verhuurde hem tesamen met zijn consorten vanaf 20 juni voor twee jaar. Op 20 oktober 1693 liet Jacob Adriaensz. Peereboom de molen opnemen in een brandcontract. In 1742 is de windbrief voor een nieuwe Peerenboom, waarschijnlijk op een andere plek, afgegeven. Deze molen brandde op oudejaarsdag van 1840 af.

Pakhuis Vrede3

Het pakhuis ‘Vrede’ lag in Zaandam aan de Oostzijde, overlangs en op korte afstand van de Zaan. Aan de noordkant lag een smalle circa 50 meter lange insteekhaven, haaks op de Zaan.

De eerste vermelding van ‘pakhuys de Vreede’ treffen we aan in een notariële akte uit 1742. Eigenaar is dan Jan Claasz. Nel, koopman te Westzaandam. In het verpondingsregister van Oostzaandam, opgemaakt in 1721, is een nieuw verpondingsnummer bijgeschreven (waarschijnlijk in 1731 bij het vaststellen van nieuwe verpondingen) op naam van Jan Claasz Nel, met de aantekening dat het hier een nieuw pakhuis met erf betreft. Het pakhuis zal dus tussen 1721 en 1731 gebouwd zijn. Het verpondingsregister van 1740 bevestigt dat het hier om pakhuis Vrede gaat, blijkens een ingebonden notitie (ongedateerd) bij het betreffende nummer.

Bij de boedelinventaris van Jan Claasz Nel, opgemaakt in 1755, wordt het als volgt omschreven: ‘Een pakhuys genaamt de Vreede met deszelfs erf staende ende gelegen tot Oostsaendam aen de Saen belent ten suyden de erve Jan Pietersz Kist en ten noorden een gemeene sloot en ten oosten Gerrit Jut.’ Na in 1764 eigendom te zijn geworden van Adriaan Cromhout, komt het in 1777 in handen van Gerrit Jut, die naast het pakhuis een stijfselmakerij exploiteerde. Tot 1848 blijft het pakhuis in de familie Jut. Het wordt dan geveild onder ‘Nummer 1. Een kapitaal, hecht, sterk en uitmuntend gesitueerd zaad- en graanpakhuis, genaamd De Vrede (waarin berging voor plus minus tweehonderd lasten) en erf.’ Eigenaar wordt Pieter Sijners van der Goot.

1. Resolutien van de Heeren Staaten van Holland en Westvriesland, In haar Edele Groot Mog. Vergadering genoomen in den jaare 1738, pp. 573-574, geraadpleegd via books.google.nl op 29-12-2018.
2. Molendatabase, verdwenen molens, De Peerenboom (1) en De Peerenboom (2), geraadpleegd via www.molendatabase.org op 30-12-2018.
3. A. van Diepen, Pakhuis Vrede, in: Met Stoom, juni 1994, nr. 17, geraadpleegd via www.zaans-industrieel-erfgoed.nl op 29-12-2018.


Het graf van de familie Jut in de Noorderkerk te Amsterdam

De Noorderkerk van Amsterdam ligt aan de Noordermarkt in het hart van de Jordaan. De kerk is gebouwd tussen 1620 en 1623 om de in de 17e eeuw snel groeiende bevolking van de Westelijke Grachtengordel en Jordaan een protestantse kerk te bieden.

H. Schoute, Gezicht van de Noorder-Markt en Kerk, tot Amsterdam, 1783, in: Nieuwe atlas, van de voornaamste gebouwen en gezigten der stad Amsterdam, met derzelver beknopte beschryvingen, Pieter Fouquet junior.

Aanvankelijk werd een kerkhof aangelegd tussen de kerk en de Prinsengracht, maar dat werd al snel verplaatst naar de rand van de stad. Het nieuwe Noorderkerkhof werd aangelegd op het bolwerk ‘Haarlem’, vroeger ‘De Palm’ geheten. Daarom stond het kerkhof daarna ook wel bekend als het Palmkerkhof. Een deel van de parochianen werd echter niet begraven op het kerkhof, maar in de kerk.

De doopsgezinde Pieter Jut uit Oostzaandam vestigt zich rond 1722 in Amsterdam. In 1729 bij zijn huwelijk met Geertruida Willink woont hij aan de Singel, later aan de Keizersgracht. Ook hun nakomelingen wonden daar en aan de Heeregracht. Het is dan ook niet verwonderlijk dat leden van de familie Jut in de Noorderkerk worden begraven. In de begraafregisters (Stadsarchief Amsterdam, Begraafregisters voor 1811, Noorder Kerk en Kerkhof, DTB 1075, 1077, 1083 en 1085) komen we ze vanaf 1735 tegen, steeds met de vermelding OV56. Dit is graf nummer 56 bij de oostgevel van de kerk.

Stadsarchief Amsterdam, Archief van de Noorderkerk, Plattegrond der Noorderkerk, met grafnummers; eind 17e eeuw. In de rode cirkel graf 56 in de Oostergevel.

Stadsarchief Amsterdam, Archief van de Noorderkerk, Kaartboek der graven en namen van de eigenaren, Ooster Geevel, graf 56.

In 1709 was het graf vrijgekomen. Anna Fries, de schoonmoeder van Pieter Jut, koopt daarna het eigendomsrecht. Op 31 mei 1710 passeert de transportakte bij notaris  Livinius Meijer: Anno 1710, primo junij door Johannes Schraet gravemaker dit graft getransportert aen Anna Fries weduwe van Laurens Willinck volgens acte gepass[eer]t voor de Notaris Livinus Meijer op den 31 Meij 1710 (Stadsarchief Amsterdam, Archief van de Noorderkerk, Grafboek van Kerk en Kerkhof (26), folio 54). Ze betaalt op 1 juni 1710 om haar man Lourens Willink de dag erna te kunnen begraven: Lourens Willink, Singel op de L N Kerck, OV 56. Op 20 juni als 14 juli 1711 worden er kinderen van hen begraven. Beide keren: kint van Louwrents Willink, Singel, OV56.  Zelf wordt Anna op 28 juni 1723 in het graf bijgezet: Anna Fries, wed. Lourens Willink, op de Brouwersgraft tussen de Heere- en Keijsersgraft. Baar 16 roef, OV N56.

Daarna worden achtereenvolgens in het graf begraven:

  • 23 juli 1735: Een kint van Pieter Jut, op de keijzersgragt bij Remonstrante kerk, doodgeboren en gehaald, O.V.56
  • 7 juli 1737: Geertruid Willink, Huijsvrauw van Pieter Jut op de Keijsersgragt bij de Remonstrante Kerk, 16 Roef en baar, blijft een kint na, OV56, 2 boeten
  • 28 juli 1755: Misdr[agje] van Nicolaas Jut, hoek heere en brouwersgragt, bij avond gehaald, OV56
  • 19 augustus 1757: Pieter Jut, op de keijsersgragt bij de prinsestraat met 6 coessen, te 3 uuren, 16 Roef baar,  OV56
  • 7 september 1758: Misdragje van Nicolaas Jut, op de heeregragt over de bergsstraat, bij avond gehaald, OV56
  • 3 juli 1759: kint Catharina Christina, vader Nicolaas Jut, op de heeregragt over de bergstraat, met slee en coessen, OV56
  • 26 juli 1760: kint Anna Christina, vader Nicolaas Jut, op de heeregragt over de bergstraat, met slee en 2 coesse, OV56
  • 28 juli 1764: kint Dirk, vader Nicolaas Jut, op de heeregraf over de bergstraat, met slee, OV56
  • 1 maart 1806, nalatende 2 kinderen: Christina Hagen, Huisvr. van Nicolaas Jut, op de Kijzersgragt over de Westermarkt, OV56

Stadsarchief Amsterdam, Archief van de Noorderkerk, Grafboek van Kerk en Kerkhof (27), folio 73.

Pieter Jut zelf heeft het graf nooit op zijn naam gehad; het graf is sinds 1710 ‘gewoon’ in de familie gebleven. Pas op 7 augustus 1776 komt het graf op naam te staan van zijn zoon Nicolaas Jut. Misschien is hij in 1814 ook in het graf begraven, maar het grafboek uit de periode 1811-1814 is nog niet gedigitaliseerd; bovendien ontbreekt hij in het ontvangboek van de begrafenisgelden.  Na diens overlijden in 1814 wordt het graf op 19 maart 1816 overgetekend op naam van den Heer Pieter Nicolaas Jut, zijn zoon. Hij betaalt de verhoging van het graf in 1816. In 1836 (7 gulden betaald) en 1856 (7 gulden betaald op 25 juli) wordt eveneens voor de verhoging betaald, maar Pieter Nicolaas is al in 1830 overleden. In een overzicht uit 1904 blijkt dat  het verhogingsgeld in 1856 voor het laatst betaald is door Jut, P.N.J[unior?]. Volgens een circulaire uit 1884 zou het graf daardoor weer vervallen aan de kerk. Pieter Nicolaas junior is tien jaar eerder in 1874 overleden en zelf begraven in Muiderberg. Het lijkt erop dat na het gezin Jut-Hagen niemand meer het graf gebruikt heeft. Zelfs Catharina Willink, de tweede vrouw van Pieter Jut , wordt in 1777 niet in de Noorderkerk begraven, maar in de Nieuwe Kerk in een graf van de familie Willink (D233). Overigens bezit Pieter Nicolaas Jut in de Nieuwe Kerk drie eigen graven (D49, D50 en D239), maar zijn oudste jong gestorven kinderen worden daar begraven in graf G24 van de familie Westendorp (Stadsarchief Amsterdam, Archief van de Nieuwe Kerk, Alfabetische naamlijst van eigen graven).

Stadsarchief Amsterdam, Archief van de Noorderkerk, Lijst van eigenaars van graven en publicaties.


Pieter Nicolaas Jut en Sara Westendorp

Pieter Nicolaas Jut wordt op 21 oktober 1757 in Amsterdam geboren als zoon van Nicolaas Jut en Christina Hagen (SAA = Stadsarchief Amsterdam , DTB  298  Lam en Toren , folio 217). Hij wordt op 17 november 1776 op negentienjarige leeftijd gedoopt bij de doopsgezinde gemeente Lam en Toren (SAA, Archief van Verenigde Doopsgezinde Gemeente van Amsterdam en rechtsvoorgangers, Gemeente Lam en Toren, Lidmatenadministratie (215), folio 50).

Sara Westendorp wordt op 11 december 1755 in Amsterdam geboren als dochter van Jan Westendorp junior en Anna van Oosterwijk en op 12 mei 1756 bij de doopsgezinde gemeente de Zon opgegeven (SAA, DTB  297  Zon, folio 213). Daar wordt ze op 27 februari 1774 met de waterdoop bediend en tot lid van de gemeente aangenomen (SAA, Archief van de Doopsgezinde Gemeente de Zon, Lijst van gedoopten (37), s.n.).

Op woensdag 5 augustus 1778 gaan beiden in ondertrouw: “Pieter Nicolaas Jut van Amsterdam, doopsgesint, oud 21 jaer op de kijsersgragt geadsisteert met zijn vader Nicolaas Jut / Sara Westendorpvan Amsterdam, menoniet, oud 22 jaer op de nieuwendijk geadsisteertmet haar vader Jan Westendorp” (SAA, DTB 750 Huwelijksinteekening van de Puy, folio 168). Omdat beiden doopsgezind zijn, worden ze ingeschreven in het pui-register. Na de drie ‘geboden’ ofwel de huwelijksafkondigingen  is hen echter “acte verleent om in de kerk te trouwen”  (SAA, DTB 796 Huwelijksproclamaties van het Stadhuis , folio 49). Hun huwelijk staat daarom niet in de trouwregisters van het stadhuis. Hun huwelijk wordt op 25 augustus 1778 om twee uur ’s middags door dominee van Herwerden ingezegend in de Oude Kerk (SAA , DTB 985 Oude Kerk, , folio 26).

Een jaar later wordt hun eerste kind geboren: Klaas, maar die overlijdt binnen twee weken. Van de hand van de dichter Lucas Pater is een “Troostzang aan den Heere Pieter Nicolaas Jut en mejuffrouw Sara Westendorp, wegens den dood van hun Zoontje, geboren den 13den en overleden den 26sten Augustus 1779.” (Nagelaaten Poëzy van Lucas Pater: mengeling van gedichten, 1784, 15-17).

Het volledige gedicht is te raadplegen via books.google.nl

Lucas Pater (1707-1781) was een koopman en dichter. Hij genoot in zijn tijd enig aanzien vanwege zijn poëzie. Hij behoorde tot de kennissenkring van Pieter Nicolaas en Sara, waarin we ook meerdere gelegenheidsdichters aantreffen. Pieter Nicolaas heeft zelf in 1785 een lijkvers geschreven ter nagedachtenis aan het overlijden van Margaretha van Leuvenig, vrouw van Bernardus de Bosch (SAA, Archief van de Familie De Graeff, Gelegenheidsgedichten, 346).