(Oostzaandam ca. 1711 – 1782)
Gerrit Klaase Jut is op 17 maart 1731 gedoopt in de doopsgezinde gemeente van Oostzaandam. Zijn geboortejaar zal dan rond 1711 liggen. Hij is de zoon van Claas Gerritsz Jut en Neeltje Abrams. Hij trouwt rond 1735 met Aaltje Piters Ouwejan, uit welk huwelijk drie kinderen bekend zijn. Na het overlijden van Aaltje in 1749 trouwt hij rond 1753 met Guurtje Jans Bon en heeft met haar nog één zoon. In 1782 overlijdt Gerrit in Oostzaandam.
Gerrit is voorlezer in de doopsgezinde gemeente van Oostzaandam van 2 februari 1744 tot 29 november 1750 en diaken vanaf 3 januari 1752.
Molen de Peereboom
Gerrit Claaszoon Jut is eigenaar van de Pelmolen te Oostzaandam, genaamd De Peereboom. Op 22 mei 1732 is deze afgebrand en Gerrit is niet meer in staat deze op te bouwen. Enkele jaren daarna staat de molen nog steeds in het kohier van de honderdste penning en verpondingen van Oostzaandam, waardoor hij nog steeds wordt aangeslagen voor een som van twintig gulden. Hij vraagt daarom de afgebrande molen uit het verpondingsregister te halen. Het antwoord van de Staten van Holland en Westvriesland is op 22 oktober 1738 verwoord in hun Resolutie op de Requeste van Gerrit Claasze Jut te Oostzaandam, en van Burgermeesters te Oostzaandam, om afschryving van twee afgebrande Moolens van het Quohier der Verpondingen1Resolutien van de Heeren Staaten van Holland en Westvriesland, In haar Edele Groot Mog. Vergadering genoomen in den jaare 1738, pp. 573-574, geraadpleegd via books.google.nl op 29-12-2018.. De tweede molen die wordt vermeld is in 1736 afgebrand, maar geen eigendom van Gerrit Jut.
In het besluit geven de Staten aan dat de grond waarop de molen gebouwd is en de molen zelf apart belast waren, dat de grond zelf belast zal blijven, maar dat de molen van Gerrit Claasz Jut, met consorten, met terugwerkende kracht vanaf het jaar 1736 uit het kohier van Oostzaandam verwijderd moet worden. Mocht opnieuw op de grond gebouwd worden, dan zal het nieuwe gebouw getaxeerd worden en opgenomen in het kohier. Deze uitspraak geldt ook voor alle vergelijkbare gevallen met molens en gebouwen op het platteland.
Volgens de MolendatabaseMolendatabase, verdwenen molens, De Peerenboom (1) en De Peerenboom (2), geraadpleegd via www.molendatabase.org op 30-12-2018. verkreeg Adriaan Peereboom de windbrief op 23 oktober 1691 en verhuurde hem tesamen met zijn consorten vanaf 20 juni voor twee jaar. Op 20 oktober 1693 liet Jacob Adriaensz. Peereboom de molen opnemen in een brandcontract. In 1742 is de windbrief voor een nieuwe Peerenboom, waarschijnlijk op een andere plek, afgegeven. Deze molen brandde op oudejaarsdag van 1840 af.
Molen de Krab2Molendatabase, verdwenen molens, De Krab (3), geraadpleegd via www.molendatabase.org op 5-1-2019. Met eigen aanvullingen.
De oliemolen, later verfmolen, lag ten oosten van en nabij de Watering. De Krab is vrij lang in bezit van Jan de Jong. Hij overlijdt in 1764. Hierna komt de Krab in handen van zijn weduwe, Maritje Pieters Ouwejan. Zij verhuurt de Krab aan de firma Gerrit Jut & Zn. Op 7 maart 1774 werd de molen door de schoonzoon van Maritje Ouwejan verkocht aan Gerrit Jut voor het hoge bedrag van Fl.10000,-. In 1778 werd de Krab gesloopt en vervangen door een achtkante bovenkruier met schuur.
De nieuwe molen werd gebouwd in opdracht van de firma Jut, door molenmaker Verheul. Verheul vermeldt het volgende in zijn administratie: ‘1778 den 30e mei is de olymoolen de krap op Zaandam voor het eerst weer zeet maale gegaan, want van te voore wast een stander moole. Nu tot agtkant gemaakt in een tijds van 7 weeke‘.
Na het overlijden van Gerrit Jut in 1782 komt de molen in het bezit van zijn zonen Pieter, Klaas en hun halfbroer Jan. Wanneer deze laatste op 12 september 1786 overlijdt, erft zijn weduwe Neeltje Heymes Vis, volgens testament, zijn aandeel. Nog geen maand later, op 5 oktober, verkoopt zij aan Pieter en Klaas haar derde deel in de oliemolen De Krab, staande en gelegen te Westzaandam aan de oostzijde van de voorste watering. Daarbij horen schuren, erven, land (samen groot 126 roeden), gereedschappen en bijbehorende zaken. Het perceel grenst ten zuiden aan Jacob Groot en ten noorden aan de Blauwe Padsloot. Verder een derde deel in een huis met erf aan het Keesenpad te Westzaandam, bekend onder nummer 1152, van 35 roeden. Hiervoor wordt door beide broers ƒ 4.084,- contant betaald.3Familysearch, Westzaan, Oud Rechterlijk Archief, Transporten 1783-1787, afbeelding 324.
De molen blijft in de familie, maar Pieter overlijdt al snel op 2 januari 1787, gevolgd door Klaas op 21 oktober 1789.
De Krab bleef tot 1829 olie slaan voor de familie Jut, daarna werd de Krab eigendom van Adriaan de Vries, die de molen op 9 juli 1835 verkoopt aan mr. Hendrik Jan Smit, die naast olieslager ook burgemeester van de toenmalige gemeente Zaandam is. Hendrik Smit betaalde ƒ 5.200,- voor de Krab. Op 23 oktober 1842 gaat de molen geheel in vlammen op.
Pakhuis Vrede4A. van Diepen, Pakhuis Vrede, in: Met Stoom, juni 1994, nr. 17, geraadpleegd via www.zaans-industrieel-erfgoed.nl op 29-12-2018.
Het pakhuis ‘Vrede’ lag in Zaandam aan de Oostzijde, overlangs en op korte afstand van de Zaan. Aan de noordkant lag een smalle circa 50 meter lange insteekhaven, haaks op de Zaan.
De eerste vermelding van ‘pakhuys de Vreede’ treffen we aan in een notariële akte uit 1742. Eigenaar is dan Jan Claasz. Nel, koopman te Westzaandam. In het verpondingsregister van Oostzaandam, opgemaakt in 1721, is een nieuw verpondingsnummer bijgeschreven (waarschijnlijk in 1731 bij het vaststellen van nieuwe verpondingen) op naam van Jan Claasz Nel, met de aantekening dat het hier een nieuw pakhuis met erf betreft. Het pakhuis zal dus tussen 1721 en 1731 gebouwd zijn. Het verpondingsregister van 1740 bevestigt dat het hier om pakhuis Vrede gaat, blijkens een ingebonden notitie (ongedateerd) bij het betreffende nummer.
Bij de boedelinventaris van Jan Claasz Nel, opgemaakt in 1755, wordt het als volgt omschreven: ‘Een pakhuys genaamt de Vreede met deszelfs erf staende ende gelegen tot Oostsaendam aen de Saen belent ten suyden de erve Jan Pietersz Kist en ten noorden een gemeene sloot en ten oosten Gerrit Jut.’ Na in 1764 eigendom te zijn geworden van Adriaan Cromhout, komt het in 1777 in handen van Gerrit Jut, die naast het pakhuis een stijfselmakerij exploiteerde.
Net als molen de Krab is ook de stijfselmakerij en pakhuis de Vreede na de dood van Gerrit in handen van de drie broers. Op 24 oktober 1786 verkoopt Neeltje Heymes Vis ook dit aandeel (het derde deel) voor ƒ 3.388,05 aan haar zwagers.5Familysearch, Oostzaan, Oud Rechterlijk Archief, Transporten 1785-1787 afbeelding 168. Behalve drie stukken land in het Jacob Waliger Weer ook een stijfzelmaakerij met een huyserv, en een stuk land daaragter, als vooren [in hetzelfde weer], belent ten zuyden Pieter Noomen; een pakhuys genaamt de Vreede, met een huys en erv daar nevens, gelegen als vooren, agter ’t woonhuiy van de verkoopster.
Tot 1848 blijft het pakhuis in de familie Jut. Het wordt dan geveild onder ‘Nummer 1. Een kapitaal, hecht, sterk en uitmuntend gesitueerd zaad- en graanpakhuis, genaamd De Vrede (waarin berging voor plus minus tweehonderd lasten) en erf.’ Eigenaar wordt Pieter Sijners van der Goot.