Jacobus Jutten in Coevorden, getuigenverklaring bij de schout

Jacobus Jutten wordt geboren in 1715 te Höngen, in het hertogdom Gulik, als zoon van Arnoldus Jutten en Cathrina Classens. Hij is het tweede kind van een katholieke familie, waarvan meerdere generaties in Höngen woonachtig zijn. Rond 1740 vertrekt Jacobus naar Coevorden, waar hij als knecht in dienst treedt bij grootmajoor Abraham Lodewijk Palm, de commandeur van Coevorden.1Zie getuigenverklaring hierna. Hij dient hem circa vijf jaar en helpt onder andere bij het onderhoud van tuinen en vestingwerken van Palm.​ Hoe en waarom hij precies in Coevorden terechtkomt, is onbekend, maar het is niet waarschijnlijk dat hij voordien als soldaat in het Staatse leger heeft gediend.

In Coevorden trouwt Jacobus op 1 november 1744 met de 23-jarige, gereformeerde Anna Vink, dochter van Jan Vink en Seitijn Servaas. Het echtpaar krijgt verscheidene kinderen die, voor zover bekend, allemaal katholiek worden gedoopt. Door het verbod op het rooms-katholicisme heeft Coevorden tot het einde van de 18e eeuw geen officiële katholieke parochie binnen de stad. Katholieken moeten hun geloof clandestien beleven en gebruiken schuilkerken bij omringende plaatsen. Katholieke soldaten van het garnizoen bezoeken het kerkje in Laar, net over de grens in het vorstendom Münster. De oudste twee kinderen van Jacobus en Anna, beiden zonen, worden hier in 1745 en 1747 ook gedoopt.

Het gezin is dan een aantal jaren buiten beeld, tot begin 1752. Anna Vink is dan lijfelijk aanwezig in het ruim 300 kilometer zuidelijker gelegen Höngen, waar zij meter is bij de doop van een zoon van de oudste broer van Jacobus. Blijkbaar vestigt het gezin zich daar tijdelijk. Ook hun beide dochters worden hier in 1753 en 1754 gedoopt. Toch blijven ze niet langer in het gebied. De volgende twee kinderen, beide jongens, worden vanaf 1757 weer in Laar gedoopt.

Van 1760 tot en met 1765 komt Jacobus Jutten voor in de haardstederegisters van Coevorden, Eerst in het Rot dat de Bentemer straat en een gedeelte van de Kerkstraat bevat, daarna verschillende jaren in dat van de Vriese straat. Hij wordt aangeslagen voor 1 gulden. Opmerkelijk is dat een Anna Vink in 1756 in het haardstederegister staat.

De oudste zoon, Arnoldus, trouwt in 1769 in Den Haag en vestigt zich in Loosduinen als kleermaker. Hier worden hij en zijn nakomelingen meestal vermeld met de naam Jutte. Eind 1770 zijn vader Jacobus en moeder Anna aanwezig bij de doop van Jacobus, het eerste kind van Arnoldus, in de rooms-katholieke statie Monster-Poeldijk. Anna Vink overlijdt vermoedelijk in het decennium daarna. De twee jongste zonen worden soldaat in het Staatse leger en trouwen. Dochter Lucia trouwt ook met een soldaat. Jacobus en dochter Catharina blijven alleen in Coevorden achter.

Jacobus werkt waarschijnlijk als dagloner. In de diaconierekeningen van Coevorden staan drie betalingen aan hem vermeld. Op 20 juli 1779 krijgt hij 12 stuivers voor het dorsen, op 10 augustus 18 stuivers voor het zichten van het gars, en op 16 juli 1781 10 stuivers voor het “rap” dorsen. In de haardstedenregisters wordt hij dan vermeld als behoeftig en arm, waardoor hij niet hoeft te betalen.

In 1787 krijgt Coevorden een eigen rooms-katholieke parochie. De lijst met katholieke families in Coevorden vermeldt bij het gezin van Jacobus Jutten twee communicanten zonder kinderen in de stad zelf. De tweede communicant is dochter Catharina, die overlijdt in 1888. In 1794 staat bij Jacobus aangegeven “arm en geniet van de Roomsche diaconije casse”. Jacobus overlijdt in Coevorden op 30 december 1799. De (gereformeerde) diaconie rekent één gulden voor een laken.

Jacobus slijt zijn laatste jaren in een tijd waarin de vestingwerken in Coevorden steeds verder in verval raken. Luitenant-generaal Carl Diederik du Moulin, genie-officier en vestingdeskundige, schrijft in augustus 1776 aan veldmaarschalk Lodewijk Ernst, hertog van Brunswijk-Wolfenbüttel, dat de grensverdediging zo slecht is dat een vijand, waar hij ook aanvalt, nergens beletselen zal vinden. De Raad van State, belast met het toezicht, reageert hier totaal niet op; men is in die tijd te zuinig. In 1789 wordt generaal-majoor Arnold Frederik Cramer door de Staten-Generaal benoemd tot Gouverneur van Coevorden. Ook hij trekt in 1790 nogmaals aan de bel bij stadhouder Willem V. Enkele jaren daarvoor is hij grootmajoor in de vesting en verzamelt hij zoveel mogelijk informatie.

Jacobus Jutten is veertig jaren eerder knecht geweest bij de toenmalige grootmajoor Abraham Lodewijk Palm. Mogelijk weet hij zich nog dingen te herinneren. Hij vraagt de schout van Coevorden om Jacobus te ondervragen.2Drents Archief, Archieven van de schultegerechten in Drenthe. Schuldambt Coevorden 1780-1792. Familysearch, afbeelding 83. De volgende vragen moeten in ieder geval aan bod komen:

  1. Te vraagen of zijn naem is Jacobus Jutte.
  2. Zijn onderdom en vermaegtschap.
  3. Of hij niet bij wijlen den major Palm voor knegt gewoont heeft.
  4. Hoe lange jaaren en in welke tijd zulks geweest is.
  5. Of hem niet bekent is dat den major Palm in die qualiteit een thuin gehadt heeft.
  6. Waer die thuin is geleegen.
  7. Of door den major Palm er er ook boomen in zijn geplant.
  8. Of hem daar dan ook bekent is of den major Palm een ravelijn gehadt heeft.
  9. Waer ‘t zelve is geleegen.
  10. Of den major Palm er boomen in heeft geplant en of zig nog errinnert welke soort.
  11. Of zig herrinnert wie die ravelijn zeederd die tyd in huize gehadt hebben , vooral in den tijd toen de luitenant generaels van Imhoff en Trip hier gouverneurs geweest zijn.

Op 16 januari 1787 vindt de ondervraging plaats door schout Roelof Haasken, in bijzijn van de keurnoten Berent Brink en Johannes van Weijen.3Drents Archief, Archieven van de schultegerechten in Drenthe. Schuldambt Coevorden 1780-1792. Familysearch, afbeelding 80-82. Eerst laat hij hem een eed afleggen volgens de katholieke formulering4‘… na der Roomsen formulier’. Een typerende formulering van een katholieke eed uit die tijd luidt ongeveer als volgt: “Ik zweer bij God almachtig, bij de heilige engelen en heiligen, dat ik deze eed getrouw zal afleggen en mijn plichten met trouw en eer zal vervullen, zo waarlijk helpe mij God almachtig.” Deze eed bevat expliciete religieuze elementen zoals het aanroepen van God, engelen en heiligen, wat het onderscheidt van seculiere of protestantse eedformules. en dreigt hem met zware straffen bij mijneed. Hier volgt de getuigenverklaring in een vraag en antwoord:

  1. Ouderdom en verwandschap af te vragen.
  2. A:  Jacobus Jutte oud 70 jaaren niet verwant.

  1. Of hij niet als knegt bij wijlen de heer grootmajoor Palm gewoont heeft en hoe veele Jaren en in welke tijd sulks geweest is .
  2. A: Jacobus Jutte verklaart ruim 5 jaren als knegt gedient te hebben bij wielen de grootmajoor Palm van het jaar 1740 af.

  1. Of getuige nog niet seer kenlyk is dat wijlen de grootmajoor Palm in die qualiteit een tuin of hof heeft gehadt, en waar die tuin of hof gelegen is, en daarin door de heer Palm bomen sijn geplant geworden.
    A:  Jacobus verklaart dat wielen de grootmajoor Palm de hof an de Kasteelse dik waarin tegenswoordig woonagtig is en in huur heeft Bart genaamt en dat wielen de grootmajoor Palm boomen uijt Doornik heeft laten koomen en in de voornoemde hof heeft laten poten.
  1. Getuige sal mede wel bekent sijn dat wijlen de grootmajoor Palm in die qualiteit ook een ravelijn heeft gehad, waarin mede bomen heeft gepland, alhier mede kan melden welke ravelijn het is en waar gelegen.
  2. A:  Jacobus Jutte verklaart dat wielen de grootmajoor Palm het ravelijn heef gehad tegen de Kerkstraat wer maar dat de heer Palm daar geen boomen hadde ingeplant.

  1. Of getuige sig ook nog kan erinneren welke soort van bomen wijlen de heer Palm dar heeft ingeplant of laten inplanten.
  2. A:  Jacobus Jutte desen artikel onbewust.

  1. Of getuige sig nog kan erinneren wie dat ravelijn zedert die tijd al in huize gehad hebben, vooral in die tijd toen de luitenant generaals Imhoff en Trip hier gouverneurs sijn geweest.
  2. A:  Jacobus Jutte desen artikel onbewust.

  1. Of getuige nog niet seer wel bewustig is, dat wijlen de heer grootmajoor Palm in die qualiteit , in de gragte bij en om Coevorden visserije heeft gehad.
  2. A:  Jacobus Jutte verklaart dat ten tijde wielen de grootmajoor Palm in alle de gragten heeft gevist.

  1. Of hij wel in persoon voorst met de grootmajoor Palm gevist heeft en dan sulks te melden, waar sulks geschiet is.
  2. A:  Jacobus Jutte verklaart in de gragten selfs als knegt wel gevist te hebben.

  1. Immers heeft getuige sulks wel geloofweerdig horen seggen het sij van den heer Palm selfs of van anderen dat de Heeren grootmajoors visserije in de gragten hadden.
  2. A:  Jacobus Jutte verklaart daar niet van te weten en ook niet heeft van hooren seggen.

  1. Of getuige sig ook nog weet te erinneren dat wijlen de grootmajoor Palm van sijn visserije gedeeltelijk verhuist heeft en aan wie.
  2. A:  Jacobus Jutte desen artikel onbewust.

  1. Of getuige sig ook nog weet te erinneren, waar of waar omtrent wijlen de heer Palm sijn viskar heeft gehad , of sijn gevangene vis geborgen heeft.
  2. A:  Jacobus Jutte verklaart zijn viskarre gehad te hebben in de Binnengragte bij de Bentemer Poorte.

  1. Of hem getuige nog bewust is, dat den overleden auditeur militair P. Schild, de verhuizingen en verdere saken voor wijlen den heer grootmajoor Palm heeft waargenomen.
  2. A:  Jacobus Jutte desen artikel onbewust.

  1. Getuige sal nog seer wel bewust sijn, dat de grootmajoor Palm zijne portie in ’t gras der waller en conterscarpen heeft gehad, immers heeft getuige sulks wel geloofweerdig horen seggen, het zij van den heer Palm selfs of van andere geloofwaerdige menschen.
  2. A:Jacobus Jutte verklaart desen artikkel onbewust te sien.

  1. Eijndelijk sal getuige onder de ware straffe des meijneeds moeten verclaren, alle hetgeene getuigen verders daaromtrent bewust is te verclaren, het sij gevraagt of ongevraagt.
  2. A:  Jacobus Jutte verklaart verders niet te weten.