Houtdieverij

Op 21 april 1786 vindt een ‘regtdag’ plaats voor de welgeboren mannen van Monster. De heer Willem Stiphout Dallens senior, baljuw van de heerlijkheid Monster, is aanklager in een zaak tegen Jacobus Arnoldus Jutte wegens gepleegde houtdieverij. Jacobus verklaart dat hij ongeveer dertien1In werkelijkheid vijftien jaar. jaar oud is. Hij wordt ondervraagd over het sprokkelen van hout in de plantage van de heer Michiel Hubert nabij Loosduinen in Monster Ambacht.

Jacobus geeft toe dat hij die winter hout heeft gesprokkeld op het land van de heer Hubert en daarbij werd betrapt door de tuinman van die plek. Tijdens de ontmoeting vluchtte hij, maar hij keerde terug om het gesprokkelde hout op te halen. Hij belooft berouw te hebben en zich niet opnieuw schuldig te maken aan houtdieverij. De welgeboren mannen van Monster nemen daarmee rekening, gezien zijn jeugd, en besluiten geen verdere detentie of procedures te starten.

De aanklager krijgt de opdracht om Jacobus te bevelen naar het huis van de heer Hubert te gaan en daar om vergiffenis te vragen. Indien Jacobus opnieuw dezelfde overtredingen pleegt, zal hij streng worden gestraft, mogelijk zelfs met ’te water en te brood op de toren’.

Verschillende getuigen bevestigen de beschuldigingen, waaronder Anthony Mouthaan, koetsier van de heer Hubert, en Johannes Mulder, tuinman van de heer Hubert op de hofstede Okkenburg nabij Monster. Zij verklaren dat zij Jacobus hebben gezien terwijl hij hout brak en meenam, ondanks de waarschuwingen en bedreigingen van de heer Hubert.

De zaak wordt officieel vastgelegd bij de gerechtkamer in Monster  door de commissarissen Johannes van Heyningen en Pieter van Dam. Zij verklaren dat alles is gehoord en vastgesteld conform de waarheid.

Dit is een samenvatting van het procesdossier2Historisch Archief Westland, Rechterlijk archief Monster, Stukken betreffende de criminele rechtspraak 1583-1809. Familysearch, afbeeldingen 415-420 en afbeeldingen 287-289.Zie ook gemaakt met perplexity.ai.