Pieter Jetten in 1862 bij de marine

Pieter Jetten wordt op 22 maart 1844 geboren te Rotterdam, op het adres Baan G 570 in het havengebied, als tweede kind en oudste zoon van sjouwer Jean Henri Jetten en Anna Maria Jans. Als hij 18 jaar is, wordt hij aangenomen bij de Koninklijke Nederlandsche Marine. Hij heeft stamboeknummer 10889 en via zijn conduiteboekje1Nederlands Instituut voor Militaire Historie, 183 Persoonsdossiers der Koninklijke Marine, 14 P. Jetten, 22-03-1844, link is hij daar te volgen. Voor zijn aantreden is hij pakhuisknecht in Rotterdam; zijn religie is rooms. Hij moet zes jaar dienen en krijgt een handgeld van twintig gulden.

Zijn lengte is 1 el, 5 palm en 8 duim, dat wil zeggen 1,58 meter. Hij heeft een rond aangezicht, een hoog voorhoofd, bruine ogen, een brede neus, een gewone mond, een ronde kin, een bleke kleur, blond haar en blonde wenkbrauwen.

Op 31 maart 1862 komt hij in dienst als marinier 3de klasse (élève-tamboer), dus tamboer in opleiding. Na ruim een half jaar, op 26 oktober 1862, wordt hij tamboer 2de klasse. Begin november 1863 gaat hij aan boord van de Prinses Amelia.2Het reisverslag heeft als basis het conduiteboekje, diverse data van tussenstops zijn afkomstig van scheepsberichten uit krantenartikelen. Deze zijn te vinden via delpher.nl en dan bijvoorbeeld “Prinses Amelia” zoeken. Op dit stoomkorvet brengt hij het grootste deel van zijn diensttijd door. Vanwege de onrusten in Japan moet er versterking komen in Nederlands-Indië. Op 18 december 1863 vertrekt hij met de Prinses Amelia, samen met het schroefstoomschip Metalen Kruis, van de rede van Texel met bestemming Oost-Indië. Met de Prinses Amelia komt hij op 6 februari 1864 aan in West-Indië, in Paramaribo. Op 24 februari vertrekken ze weer richting Rio de Janeiro, waar ze op 12 april aankomen. Daar moet het schip in het dok vanwege een lek dat zich gedurende de reis heeft vertoond. Op 17 juli wordt de reis naar Java voortgezet. In een anoniem ingezonden stuk in het Dagblad van Zuidholland en ’s‑Gravenhage3Delpher, Dagblad van Zuidholland en ’s Gravenhage, 23 augustus 1864, link is duidelijk sprake van irritatie.

Mijnheer de Redacteur !
Uit het onderstaand uittreksel van een brief, dien ik ontvangen heb van iemand, die aan boord is van Zr. Ms. schroefkorvet Prinses Amelia, kan men zien hoe onze oorlogsschepen naar zee worden gestuurd en hoe onze Regering de equipage er maar aan waagt: “Gij weet dat wij lek naar zee gingen; toen wij uit Plymouth vertrokken waren, ontdekten wij in zee, naar gis 300 mijlen bewesten Kadix, dat het water bij de injectiekraan der zoetwatermaak-machine met een straal in de machinekamer liep. Het schip maakte 40 duim water per etmaal. Te Rio Janeiro liepen wij binnen, en hebben daar eerst van 25 April tot 9 Mei in het drooge dok gestaan. Het koper werd hier en daar afgenomen en de kranen nagezien, waarbij bleek dat het water daar langs in kwam. Uit het dok gekomen zijnde, maakten wij nog water, zoodat wij voor de tweede maal er in gingen van 13 Mei tot 9 Junij. Toen werd al het koper en vervolgens de tweede buitenhuid of crinoline afgenomen, om de onderhuid op nieuw te breeuwen. Daarbij werd bevonden dat vele planken van die huid waren vervuurd en dat het breewsel op vele plaatsen tot stof was vergaan. Even voor wij uit het dok zouden halen werd ontdekt, dat de zetgang eerste en tweede berghout op vele plaatsen verrot was, onder de rusten en bij de katbouten, waaraan het onderwant door middel der puttingijzers steun vindt. Zoo wij dit niet gezien hadden , hadden wij heel ons tuig bij stormweer kunnen verspelen. Voor het timmeren moet f30,000 betaald worden; voor in het dok staan, dat anders f700 daags kost, is ons niets gerekend. Bovendien moesten wij voor victualie /15,000 betalen. En reken dan nog eens dat de 23 tonnen gouds , die wij in Suriname aau boord kregen, zoo lang renteloos hebben gelegen.” Ik verzoek u dit in uwe Courant op te nemen. X.

Halfmodel van een schroefstoomschip (Prinses Amelia). Rijksmuseum, collectie Marinemodellenkamer.

De aankomst in Batavia is op 4 september 1864. Op 30 september 1864 wordt alweer koers gezet naar Padang op Sumatra, met aankomst op 2 oktober. Hier blijven ze enige tijd gestationeerd als stationsschip voor de westkust van Sumatra. Op 17 juni 1865 neemt Pieter Jetten deel aan een gewapende expeditie bij Singkel, aan de westkust van Sumatra. Deze is gericht tegen het hoofd van Kotta Baroe en zijn handlangers, omdat zij de handel met het binnenland stremmen.4Verslag van het beheer en den staat van Nederlandsch Indië over 1865, pagina 651 Zij hebben op enige afstand van Singkel, waar een paar rivieren samenkomen, twee versterkingen (bentings) opgericht waar zij belasting heffen op alle goederen en die soms zelfs in beslag nemen. De expeditietroepen ondervinden nauwelijks tegenstand en als de bentings met sloepen worden bereikt, zijn deze al verlaten. De bentings en de naburige huizen worden in brand gestoken. Voor de zekerheid blijft de Prinses Amelia nog enige tijd in de buurt en ook daarna is de westkust van Sumatra haar domein. Vanwege de slechte staat van de machines moet het schip worden afgelost. Op 18 oktober 1865 wordt vertrokken naar Batavia om daar voor de kust op het eiland Onrust te worden gerepareerd. Blijkbaar gaat de reparatie niet goed, want op 9 mei 1866 wordt de Prinses Amelia door het stoomschip Ardjoeno naar Soerabaija gesleept om daar gedokt te worden. Na de uiteindelijke reparatie wordt het schip ingezet in de Straat Soenda tussen Java en Sumatra, als onderdeel van een oefeningsdivisie. Daarna zet het schip koers naar de Molukse wateren om daar te patrouilleren.

Tamboers en Pijpers van het Korps Mariniers in Nederlands-Indië (1895). Foto: NIMH.

Tot dan toe staat de Prinses Amelia steeds onder commando van kapitein ter zee J.J. Wichers. Op 28 januari 1867 draagt hij in Ambonia, op de Molukken, het commando over aan kapitein-luitenant ter zee jhr. J.B.E. von Schmidt auf Altenstadt. Pieter Jetten krijgt dan in zijn conduite-staat, door Wichers ondertekend, de aantekening: goed gedrag en geschikt. Voor Pieter begint het jaar minder goed. Vanwege een reorganisatie wordt hij teruggezet van tamboer 2de klasse naar tamboer 3de klasse. Zijn nieuwe commandant vindt hem van zeer goed gedrag, bekwaam en geschikt. Hij is voorgedragen voor bevordering, maar wegens gebrek aan vacatures lukt dit niet. Zij blijven in de Molukse wateren en in augustus 1867 vertrekt de nieuwe commandant weer. Ook het dienstverband van Pieter loopt ten einde, maar hij zit ver van Nederland. Op 1 april 1868, na zes jaar dienst, verlaat hij de Prinses Amelia met de aantekening: goed gedrag, geschikt tamboer, goed militair.

Pieter gaat met een onbekend schip vanuit Ambonia naar Soerabaija. Daar ligt het korvet Juno al enige tijd ter reparatie. Op 23 april 1868 wordt hij in de ziekenboeg van dat schip behandeld voor een ontsteking van de plasbuis, veroorzaakt door een geslachtsziekte, twee weken later gevolgd door een op- en neergaande koorts. Dit zijn overigens de enige twee aantekeningen van ziekte bij hem. Hij blijft in ieder geval als militair op de Juno tot 3 december 1868. Daarna gaat hij aan boord van het schroefstoomschip Watergeus, dat in Soerabaija gereed wordt gemaakt om naar Nederland te vertrekken. Zowel op de Juno als op de Watergeus wordt hij weer aangenomen als tamboer 2de klasse. Soerabaija wordt op 17 december verlaten en de Watergeus gaat als tussenstop op de 21ste voor anker in Batavia. Op 9 januari 1869 wordt eindelijk aan de terugreis begonnen. Op 20 februari is de aankomst in de Tafelbaai (Kaap de Goede Hoop) en precies een week later wordt de reis naar Nederland voortgezet. Op 5 mei wordt de haven van Yarmouth (eiland Wight) binnengelopen en via Brouwershaven gaat de Watergeus met Pieter Jetten op 8 mei 1869 voor anker in Hellevoetsluis. Officieel verlaat Pieter op 9 juni 1869 de dienst; meer dan een jaar later dan oorspronkelijk gepland wordt hij gepasporteerd. Zijn laatste beoordeling luidt: zeer goed gedrag, vrij goed tamboer en hoornblazer.

Een conduiteboekje is in de eerste plaats bedoeld om gedrag en straffen aan te tekenen. Op 4 augustus 1862 wordt Pieter door kapitein Soer, commandant der compagnie, tot vier dagen politiekamer veroordeeld, omdat hij ontbreekt op het avondappel en pas om kwart voor drie binnenkomt. Op 25 november 1862 wordt hij tot acht dagen politiekamer veroordeeld door de commandant, kapitein Corbelein, wegens ongepast taalgebruik tegen de korporaal van de week. Op 7 april 1863 moet hij van waarnemend commandant kapitein Kempers opnieuw acht dagen naar de politiekamer, omdat hij te laat van verlof terugkomt. Op 1 november 1863 verklaart diezelfde kapitein dat hij van goed gedrag is en geschikt voor de dienst.

Op het korvet Prinses Amelia zijn er ook een paar kleine vergrijpen. Op 27 maart 1864 krijgt hij een schriftelijke berisping (strafschelderen), omdat hij zich onttrekt aan het brassen (de zeilen naar de wind richten). Op 31 mei 1864 krijgt hij acht keer strafpeloton, omdat hij probeert ongekleed van boord te gaan zonder zich te melden bij de wacht. Op 28 maart 1866 moet hij twee dagen in de boeien, omdat hij niet klaar is om van boord te gaan bij het schijfschieten. Op 22 september 1867 komt hij opgewonden van de wal terug en voegt hij de korporaal een brutaal gezegde toe. Hiervoor wordt hij 24 uur met handen en voeten in de boeien geslagen en op water en brood gezet.

Ook op de Juno wordt nog één vergrijp gemeld. Op 11 augustus 1868 komt hij te laat terug van het passagieren aan de wal. Hij moet drie keer 24 uur krom in de boeien. Bij de terugtocht met de Watergeus blijft hij op 26 februari 1869 te lang in Kaapstad. Hij komt twaalf uur te laat aan boord en hiervoor moet hij opnieuw krom in de boeien, dit keer tweemaal 24 uur.

Bij terugkomst in Rotterdam moet Pieter wennen aan een heel ander leven. Hij gaat aan de slag als losse werkman en later als metaalgieter, maar leidt een armoedig bestaan. Bij zijn huwelijk met Louisa van den Boogaard op 15 juni 1870 ontvangt hij een bewijs van onvermogen, omdat hij de trouwkosten niet kan betalen.5Familysearch, Burgerlijke Stand Rotterdam, huwelijksbijlagen 1870, akte 502 Omdat hij nog geen dertig jaren oud is, heeft Pieter ouderlijke toestemming nodig; zijn vader weigert die te geven, maar reageert niet op een oproep van het kantongerecht, waarna de rechter alsnog toestemming verleent. Uit dit huwelijk worden zes kinderen geboren, waarvan er twee voor nageslacht zorgen. Pieter ziet ze niet opgroeien, hij overlijdt op 8 mei 1881, in de leeftijd van 37 jaar.