Het graf van de familie Jut in de Noorderkerk te Amsterdam

De Noorderkerk van Amsterdam ligt aan de Noordermarkt in het hart van de Jordaan. De kerk is gebouwd tussen 1620 en 1623 om de in de 17e eeuw snel groeiende bevolking van de Westelijke Grachtengordel en Jordaan een protestantse kerk te bieden.

H. Schoute, Gezicht van de Noorder-Markt en Kerk, tot Amsterdam, 1783, in: Nieuwe atlas, van de voornaamste gebouwen en gezigten der stad Amsterdam, met derzelver beknopte beschryvingen, Pieter Fouquet junior.

Aanvankelijk werd een kerkhof aangelegd tussen de kerk en de Prinsengracht, maar dat werd al snel verplaatst naar de rand van de stad. Het nieuwe Noorderkerkhof werd aangelegd op het bolwerk ‘Haarlem’, vroeger ‘De Palm’ geheten. Daarom stond het kerkhof daarna ook wel bekend als het Palmkerkhof. Een deel van de parochianen werd echter niet begraven op het kerkhof, maar in de kerk.

De doopsgezinde Pieter Jut uit Oostzaandam vestigt zich rond 1722 in Amsterdam. In 1729 bij zijn huwelijk met Geertruida Willink woont hij aan de Singel, later aan de Keizersgracht. Ook hun nakomelingen wonden daar en aan de Heeregracht. Het is dan ook niet verwonderlijk dat leden van de familie Jut in de Noorderkerk worden begraven. In de begraafregisters1Stadsarchief Amsterdam, Begraafregisters voor 1811, Noorder Kerk en Kerkhof, DTB 1075, 1077, 1083 en 1085 komen we ze vanaf 1735 tegen, steeds met de vermelding OV56. Dit is graf nummer 56 bij de oostgevel van de kerk.

Stadsarchief Amsterdam, Archief van de Noorderkerk, Plattegrond der Noorderkerk, met grafnummers; eind 17e eeuw. In de rode cirkel graf 56 in de Oostergevel.

Stadsarchief Amsterdam, Archief van de Noorderkerk, Kaartboek der graven en namen van de eigenaren, Ooster Geevel, graf 56.

In 1709 was het graf vrijgekomen. Anna Fries, de schoonmoeder van Pieter Jut, koopt daarna het eigendomsrecht. Op 31 mei 1710 passeert de transportakte bij notaris  Livinius Meijer: Anno 1710, primo junij door Johannes Schraet gravemaker dit graft getransportert aen Anna Fries weduwe van Laurens Willinck volgens acte gepass[eer]t voor de Notaris Livinus Meijer op den 31 Meij 17102Stadsarchief Amsterdam, Archief van de Noorderkerk, Grafboek van Kerk en Kerkhof (26), folio 54. Ze betaalt op 1 juni 1710 om haar man Lourens Willink de dag erna te kunnen begraven: Lourens Willink, Singel op de L N Kerck, OV 56. Op 20 juni als 14 juli 1711 worden er kinderen van hen begraven. Beide keren: kint van Louwrents Willink, Singel, OV56.  Zelf wordt Anna op 28 juni 1723 in het graf bijgezet: Anna Fries, wed. Lourens Willink, op de Brouwersgraft tussen de Heere- en Keijsersgraft. Baar 16 roef, OV N56.

Daarna worden achtereenvolgens in het graf begraven:

  • 23 juli 1735: Een kint van Pieter Jut, op de keijzersgragt bij Remonstrante kerk, doodgeboren en gehaald, O.V.56
  • 7 juli 1737: Geertruid Willink, Huijsvrauw van Pieter Jut op de Keijsersgragt bij de Remonstrante Kerk, 16 Roef en baar, blijft een kint na, OV56, 2 boeten
  • 28 juli 1755: Misdr[agje] van Nicolaas Jut, hoek heere en brouwersgragt, bij avond gehaald, OV56
  • 19 augustus 1757: Pieter Jut, op de keijsersgragt bij de prinsestraat met 6 coessen, te 3 uuren, 16 Roef baar,  OV56
  • 7 september 1758: Misdragje van Nicolaas Jut, op de heeregragt over de bergsstraat, bij avond gehaald, OV56
  • 3 juli 1759: kint Catharina Christina, vader Nicolaas Jut, op de heeregragt over de bergstraat, met slee en coessen, OV56
  • 26 juli 1760: kint Anna Christina, vader Nicolaas Jut, op de heeregragt over de bergstraat, met slee en 2 coesse, OV56
  • 28 juli 1764: kint Dirk, vader Nicolaas Jut, op de heeregraf over de bergstraat, met slee, OV56
  • 1 maart 1806, nalatende 2 kinderen: Christina Hagen, Huisvr. van Nicolaas Jut, op de Kijzersgragt over de Westermarkt, OV56

Stadsarchief Amsterdam, Archief van de Noorderkerk, Grafboek van Kerk en Kerkhof (27), folio 73.

Pieter Jut zelf heeft het graf nooit op zijn naam gehad; het graf is sinds 1710 ‘gewoon’ in de familie gebleven. Pas op 7 augustus 1776 komt het graf op naam te staan van zijn zoon Nicolaas Jut. Misschien is hij in 1814 ook in het graf begraven, maar het grafboek uit de periode 1811-1814 is nog niet gedigitaliseerd; bovendien ontbreekt hij in het ontvangboek van de begrafenisgelden.  Na diens overlijden in 1814 wordt het graf op 19 maart 1816 overgetekend op naam van den Heer Pieter Nicolaas Jut, zijn zoon. Hij betaalt de verhoging van het graf in 1816. In 1836 (7 gulden betaald) en 1856 (7 gulden betaald op 25 juli) wordt eveneens voor de verhoging betaald, maar Pieter Nicolaas is al in 1830 overleden. In een overzicht uit 1904 blijkt dat  het verhogingsgeld in 1856 voor het laatst betaald is door Jut, P.N.J[unior?]. Volgens een circulaire uit 1884 zou het graf daardoor weer vervallen aan de kerk. Pieter Nicolaas junior is tien jaar eerder in 1874 overleden en zelf begraven in Muiderberg. Het lijkt erop dat na het gezin Jut-Hagen niemand meer het graf gebruikt heeft. Zelfs Catharina Willink, de tweede vrouw van Pieter Jut , wordt in 1777 niet in de Noorderkerk begraven, maar in de Nieuwe Kerk in een graf van de familie Willink (D233). Overigens bezit Pieter Nicolaas Jut in de Nieuwe Kerk drie eigen graven (D49, D50 en D239), maar zijn oudste jong gestorven kinderen worden daar begraven in graf G24 van de familie Westendorp3Stadsarchief Amsterdam, Archief van de Nieuwe Kerk, Alfabetische naamlijst van eigen graven.

Stadsarchief Amsterdam, Archief van de Noorderkerk, Lijst van eigenaars van graven en publicaties.